Zonder Joods leven geen Mokum
In dit artikel:
Al meer dan vier eeuwen vormt Joods leven een onmisbaar onderdeel van Amsterdamse geschiedenis. Een nieuwe tentoonstelling in De Nieuwe Kerk belicht die rijke en bewogen band: van vroegmoderne vestiging en economische en culturele bijdragen tot de vernietiging in de Tweede Wereldoorlog en het herstelproces daarna.
Na de Spaanse en Portugese inquisitie in de late 15e eeuw trokken veel Joden naar Amsterdam, waar vanaf het begin van de 17e eeuw religieuze vrijheid en economische bloei hen aantrokken. Eerst vestigden Sefardische Joden zich, later grote groepen Asjkenazische migranten uit Duitsland en Oost-Europa. Hoewel de twee gemeenschappen verschillende talen, gebruiken en sociale posities hadden, bouwden ze elk hun eigen synagogen, scholen en sociale voorzieningen; twee imposante synagogen vlak bij het centrum tonen hoe snel zij een zichtbare plaats innamen.
De Joodse inwoners droegen aanzienlijk bij aan kennis en vakmanschap: artsen mochten wel werken, en de boekdrukkunst—met name in het Hebreeuws—sonderde in Amsterdam. In tegenstelling tot veel andere Europese steden was er hier geen verplicht getto; Joden kozen zelf voor concentratie in wijken als Vlooienburg, Uilenburg, Marken en Rapenburg, waar ook christenen woonden. Na 1660 verhuisden rijkere Joden naar de Nieuwe Heren- en Keizersgracht, waarmee hun integratie in het stadsleven verder zichtbaar werd.
Tegelijk bestond er armoede, vooral onder Asjkenaziem. In de 18e en vroeg-19e eeuw legde de stad de verantwoordelijkheid voor armenzorg bij de Joodse gemeenschap zelf; de economische neergang na de Franse inlijving van 1810 trof veel gezinnen hard. Straathandel, bijvoorbeeld met zuurwaren, werd een bron van inkomen. Maar vanaf de 19e eeuw ontstonden ook duidelijke tekenen van welstand: Joodse ondernemers als Samuel Sarphati stimuleerden stadsvernieuwing en betere leefomstandigheden, terwijl winkels en ondernemingen zoals de Bijenkorf, bioscoop Tuschinski en het Amstel Hotel het gezicht van Amsterdam mede bepaalden. Rond het begin van de 20e eeuw kreeg de stad de bijnaam “Jeruzalem van het Westen”; vóór de Tweede Wereldoorlog was ongeveer een tiende van de Amsterdammers Joods, mede door vluchtelingen uit Oost-Europa en nazi-Duitsland.
Die bloei werd abrupt kapotgemaakt door de Duitse bezetting vanaf mei 1940. De bezetter voerde systematische anti-Joodse maatregelen in—vaak uitgevoerd door Nederlandse ambtenaren—die Joden uitsloten van werk, onderwijs en zorg. Vanaf mei 1942 moesten zij de Jodenster dragen; velen werden opgepakt en via doorgangskampen naar concentratie- en vernietigingskampen in Oost-Europa gedeporteerd. In september 1943 werd Amsterdam officieel ‘Judenrein’ verklaard; naar schatting werden zo’n driekwart van de circa 80.000 Joodse Amsterdammers tijdens de oorlog vermoord.
De terugkeer na 1945 was pijnlijk en traag in herstel: overlevenden vonden geplunderde huizen, andere bewoners en kregen aanvankelijk weinig steun—zelfs erfpacht werd opgeëist over jaren waarin zij in kampen hadden gezeten. Pas vanaf de jaren zestig kwam er in Nederland meer aandacht en begonnen langzamerhand voorzieningen en regelingen voor Joodse oorlogsslachtoffers te verbeteren.
In de decennia na de oorlog verschoof het zwaartepunt van Joods leven richting Buitenveldert en Amstelveen. Vanaf de jaren tachtig nam bij veel Joden de persoonlijke identiteit en het liberale jodendom in belang toe; religieuze beleving werd vaker private of cultureel-affirmatieve keuze in plaats van uitsluitend kerkelijke praktijk. De tentoonstelling toont ook hoe veerkrachtig individuen en de gemeenschap bleken; dat is onder meer verbeeld in portretten zoals dat van Ellen Le Roy-Lopes Cardozo door fotograaf Erwin Olaf. Olaf zegt daarover: "Ik constateerde dat er een bevolkingsgroep is die wereldwijd flinke klappen heeft gehad, en krijgt, en dan denk ik: dat ga ik overslaan. Ik ga een mooi, sterk portret maken."
De expositie in De Nieuwe Kerk plaatst deze maatschappelijke, culturele en menselijke lagen naast elkaar: van taal en straatcultuur (veel Jiddische woorden zijn in het Nederlands opgenomen), via commerciële en architectonische bijdragen, tot de traumatische breuk van de oorlog en het langzame proces van herinnering en wederopbouw.