Joden voelden zich in zeventiende eeuw veilig in Amsterdam
In dit artikel:
De recente aanslag op het Cheider in Amsterdam heeft diepe verontwaardiging gewekt; burgemeester Halsema noemde het een laffe daad en benadrukte dat Joden veilig moeten kunnen leven in de stad. Die gebeurtenis riep bij de auteur herinneringen op aan vroegere momenten waarop de positie van Joden in de Republiek zowel kwetsbaarheid als bescherming liet zien.
Als voorbeeld vertelt de auteur over een incident uit 1628: de Sefardische diamantair David Curiel werd slachtoffer van een gewelddadige roofoverval door een man uit Leipzig, Jan Dirkse. Curiel overleefde en, met hulp van christelijke buren, werd de overvaller gevangengenomen, ter dood veroordeeld en het lichaam uiteindelijk aan de universiteit van Leiden overgedaan. De familie Curiel herdacht deze gebeurtenis generaties lang tijdens Poerim door voor te lezen uit een speciaal bewaarde perkamentrol (de Curielrol); vijf manuscripten van het verhaal zijn bewaard gebleven.
Tegelijkertijd laten brieven en getuigenissen uit de 17e en 18e eeuw zien dat veel Joden zich in Holland relatief veilig voelden. De Amsterdamse rabbijn Isaac Uziel schreef in 1616 dat bewoners hun godsdienst mochten belijden binnen de wet, en Menasseh ben Israel prees in 1665 de Nederlandse tolerantie toen hij bij Cromwell pleitte voor toelating van Joden in Engeland. Tijdens de Kozakkenpogroms rond 1654-55 vonden zo’n 300 Joodse vluchtelingen op Texel gastvrijheid; zij noemden het eiland een “poort van de hemel” en formuleerden een dankzegging voor de ontvangst. Nog in 1773 vergeleek een Joodse koopman de bejegening in Amsterdam gunstig met die in Hamburg.
De opsomming toont een historisch patroon: Amsterdam werd vaak ervaren als toevluchtsoord, maar die veiligheid was niet vanzelfsprekend en kon overal worden bedreigd. De auteur — voorzitter van de Stichting Vrienden van het Cheider — gebruikt deze historische voorbeelden om te onderstrepen dat hedendaagse aanvallen niet losstaan van een breder, kwetsbaar verleden en dat waakzaamheid en bescherming van religieuze gemeenschappen voortdurend noodzakelijk blijven.