Hoe Amsterdam net aan een grote waterramp ontkwam (maar Durgerdam erdoor ontstond)

dinsdag, 18 november 2025 (15:53) - Amsterdam.nl

In dit artikel:

In de nacht van 18 op 19 november 1421 braken in Holland, Zeeland en Vlaanderen meerdere dijken door tijdens wat later de Sint-Elisabethsvloed zou heten. Door een zware noordwesterstorm en hoog rivierwater stroomde het land snel vol; hele stukken landbouwgrond en dorpen gingen verloren. De uitgestrekte Grote Hollandse Waard zonk weg en legde de basis voor het moerige landschap dat eeuwen later deel van Nationaal Park De Biesbosch zou vormen: een wirwar van kreken, geulen en opgeslibde platen waar ooit akkers lagen.

Lang bestonden er overdreven verhalen over de omvang van de ramp — kronieken spraken van 72 verzonken dorpen en honderdduizenden doden — maar modern onderzoek nuanceert die beelden. Historisch-geografische studies wijzen op minder dan dertig getroffen dorpen en een bewonersaantal van circa 20.000. De storm was ernstig, maar volgens onderzoekers niet buitengewoon in kracht. Toch maakte de vloed diepe indruk in verhalen en collectief geheugen.

Ook het Amsterdamse achterland kreeg het hard te verduren. De Diemerzeedijk brak bij Ipensloot, waardoor water het gebied rond het huidige Flevopark instroomde en mede het Nieuwe Diep vormde. De stad Amsterdam zelf bleef grotendeels gespaard, maar de gebeurtenis toonde hoe kwetsbaar de stad was zonder betrouwbare waterkeringen. In 1422 gaf graaf Jan van Beieren toestemming voor nieuw dijkwerk; in de bocht van die dijk ontstond later het dorp Durgerdam nadat eerder IJdoorn was verzwolgen.

De vloed versterkte het besef dat Holland alleen kan bestaan met stevige, goed beheerde waterwerken. Niet alleen als tragedie, maar ook als motor voor dijkbouw en ruimtelijke aanpassingen legde de ramp een blijvende relatie tussen mens en water bloot: verlies en verwoesting gingen gepaard met herbouw, verplaatsing van nederzettingen en een langdurige focus op deltabeheer.