Hoe Amsterdam een dronken zwerver als raadslid koos

woensdag, 3 juni 2026 (12:07) - Amsterdam.nl

In dit artikel:

Cornelis de Gelder, beter bekend als Hadjememaar, was een markante Amsterdamse straatzanger en stadsfiguur die in de gemeenteraadsverkiezingen van 1921 verrassend ruim 13.000 stemmen kreeg. Zijn verkiezingssucces was het resultaat van een bewogen periode: het algemeen kiesrecht en de stemplicht waren net ingevoerd, waardoor veel mensen die eerder alleen in politiedossiers of armenregisters voorkwamen nu stemrecht hadden. In die nieuwe, rumoerige democratie gebruikte de satirische Rapaillepartij De Gelder als voorbeeld van hoe kwetsbaar en belachelijk politiek kon zijn.

De Gelder (geboren 1856) kende een wisselend leven: van metselaar en gasfitter tot kermisacrobaat, later dakloos en alcoholverslaafd. Op het Rembrandtplein en bij terrassen was hij een vertrouwd beeld — hij zong, maakte geluiden en bedelde, en verdiende levensonderhoud met optredens die hij grotendeels verspeelde aan goedkope spiritus. Zijn bijnaam kwam van een liedje dat hij voortdurend zong ter promotie van een revue, waardoor de stad hem alleen nog zo noemde. Veel Amsterdammers herkenden zijn loopje, stem en dronkenschap; voor sommigen was hij een lokale mascotte, voor anderen een symptoom van stedelijke armoede.

De Rapaillepartij, opgericht als provocationele reactie op de gevestigde politiek, stelde zichzelf ten doel te laten zien hoe open het kiesstelsel was. Hun campagne mengde bluf en humor: maatregelen als goedkoper jenever, goedkopere broodprijzen en vrij vissen in het Vondelpark stonden naast flauwekulpunten. Voor kiezers die wantrouwend stonden tegenover traditionele bestuurders en in een stad leefden die kampte met woningnood en sociale onrust, viel een kandidaat als Hadjememaar soms logischer aan dan een professioneel politicus. Het leidde ertoe dat de Rapaillepartij twee zetels behaalde; Hadjememaar kreeg één van die zetels toebedeeld.

Kort vóór de verkiezingen werd De Gelder gearresteerd wegens openbare dronkenschap en in een ontwenningsgesticht in Veenhuizen geplaatst. Daardoor kon hij nooit zijn zetel innemen. Het stadsbestuur reageerde scherp: er kwam een noodwet, later de Lex Hadjememaar genoemd, die strengere eisen aan het passief kiesrecht stelde. Van de twee gewonnen zetels bleef uiteindelijk alleen Hubertus Zuurbier als raadslid over. Zuurbier, een straatventer en anarchist, verscheen soms enkel om presentiegeld te incasseren en was verder weinig actief.

Na zijn gedwongen opname trok De Gelder zich terug aan de rand van de samenleving. Hij dook nog af en toe in kranten en politierapporten op en ontving soms gemeentelijke hulp; hij leek verzorgder, minder veelvuldig dronken, maar bleef vooral een decorstuk van een ouder Amsterdam dat stilaan veranderde. In 1931 werd hij bij het Leidse Bos aangereden en overleed enkele dagen later in het Binnengasthuis, 75 jaar oud.

De verkiezing van Hadjememaar bleef onderwerp van discussie: was het een proteststem, een politiek statement van anarchisten, een stunt van stadsproleten — of gewoon de keuze van 13.000 Amsterdammers die minder vertrouwen hadden in reguliere kandidaten? De gebeurtenis onthulde in elk geval veel over de kwetsbaarheid van de jonge democratie en over de sociaal-culturele spanningen in het tussenoorlogse Amsterdam.