Erfgoed van de Week | Post 65-architectes in Amsterdam
In dit artikel:
Op Internationale Vrouwendag (8 maart 2026) belicht de rubriek Erfgoed van de Week drie vrouwelijke architecten die tussen ca. 1965 en 1991 belangrijke woonprojecten in Amsterdam realiseerden: Luzia Hartsuyker‑Curjel, Fenna Oorthuys en Margreet Duinker. Hun werk toont een gemeenschappelijke belangstelling voor alternatieve woningplattegronden, flexibele woonconcepten en projecten die inspelen op sociale vernieuwingsopgaven in de stad.
Luzia Hartsuyker‑Curjel (1933–2011) bracht na haar opleiding in Zürich samen met partner Enrico Hartsuyker vanaf de jaren zestig vernieuwende ideeën voor woningtypen en stedenbouw in. Hun Biopolis‑concept stelde voor functies te mengen (wonen, werken, winkelen, recreatie) in heuvelachtige bouwmassa’s met parkeerruimte onderin. In Amsterdam ontwierpen ze onder meer in 1965 atriumwoningen aan de Cannenburg in Buitenveldert; die bieden flexibele indelingen rond een glazen binnenruimte. Vanuit haar betrokkenheid bij het landelijke netwerk Vrouwen Bouwen Wonen (opgericht 1983) ontwikkelde Luzia ook expliciet “vrouwvriendelijke” woningen (projecten o.a. Borssenburgplein, Gein 3) waarin huishoudleden gelijkwaardige kamers kregen in plaats van een traditionele centrale huiskamer. Die ontwerpen waren populair, al bleek dat bewoners soms toch behoefte hadden aan een grotere gemeenschappelijke ruimte.
De jaren zeventig en -tachtig staan in Amsterdam in het teken van stadsvernieuwing: achterstallig onderhoud en verdwenen bebouwing in binnenstadbuurten leidde tot opgave en verzet tegen grootschalige kantoorplannen. In die context werkten architecten samen met buurtbewoners aan herstel en nieuwbouw ‘voor de buurt’. Fenna Oorthuys (1944), veelal samenwerkend met Paul de Ley (1943–2024), leverde zo’n bijdrage met sociale huurprojecten in de Nieuwmarkt‑ en Waterloopleinbuurten. In 1986 realiseerden zij 36 sociale huurwoningen op de hoek Zwanenburgwal–Staalstraat/Verversstraat; het hoekpand kreeg in juni 2025 de status van gemeentelijk monument. Kenmerken zijn ronde hoeken, veel glas en wit stucwerk, de situering van entrees aan een rustig binnenterrein en winkeletages op de begane grond. Op Bickerseiland verhinderde buurtactie kantoorontwikkeling; Oorthuys en De Ley ontwierpen er twee bijna gesloten bouwblokken met 158 woningen, ontsloten via galerijen en variërende balkons en erkers.
Margreet Duinker (1953) startte in 1984 met Machiel van der Torre een bureau dat veel sociale woningbouw in Amsterdam ontwierp. Een opvallend project is het blok in de Wagenaarstraat (Dapperbuurt, 1988): zichtbare trapportalen in de voorgevel vormen gedeelde buitenruimtes voor kleine huishoudens en zorgen voor een ‘levend theater’ in de straat. Duinker introduceerde ook de schuifdeurwoning: keuken en badkamer in het midden, rondom ruime, met schuifwanden flexibel in te delen verblijven die veel daglicht toelaten. Varianten van dit idee zijn terug te vinden in de Jordaan (Tuinstraat). Voor Rochdale ontwierp haar bureau in 1991 zowel portiek‑ als eengezinswoningen in Geuzenveld: strakke stroken met lessenaarsdaken, doorlopende ramen en een gebogen gevelwand met een roestvrijstalen scherm dat diepte en variatie aan de gevel geeft. Bij al deze projecten was veel aandacht voor efficiënte verkeersruimten en ruimtelijke kwaliteit van de plattegrond.
Overkoepelend laat het werk van Hartsuyker‑Curjel, Oorthuys en Duinker zien dat vrouwelijke architecten in die decennia nadrukkelijk streefden naar woonvormen die flexibiliteit, gelijkwaardigheid binnen huishoudens en betere aansluiting op de buurt bevorderen. Hun projecten — deels monumentaal erkend — maakten deel uit van bredere stadsvernieuwingsprocessen en boden alternatieven voor traditionele gezinswoningen, waardoor bewoners meer keuzemogelijkheden kregen. Het artikel is geschreven door Ellen van Kessel en maakt deel uit van de wekelijkse Erfgoed van de Week‑serie van Bureau Monumenten en Archeologie.