De Collectie | Waarom Rembrandts beroemdste schilderij eigenlijk een mislukking was

dinsdag, 10 maart 2026 (17:07) - Amsterdam.nl

In dit artikel:

Rembrandt voltooid in 1642, De Nachtwacht ontstond als onderdeel van een opdracht voor zeven werken bestemd voor de feestzaal van het Amsterdamse schuttersgilde: zes schuttersstukken en een portret. Rembrandt leverde één en bleef daarmee zijn enige bijdrage aan dit type groepsportret. In plaats van de gebruikelijke statische, rij-opstelling koos hij voor een dynamische, bijna theatrale scène vol beweging: kapitein Frans Banninck Cocq (in het zwart) geeft met een handgebaar opdracht aan zijn luitenant Willem van Ruytenburch (met lans), omringd door musketiers, piekeniers, een tamboer, een vaandrig, een kruitjongen en een blaffende hond. Een klein meisje in geel licht met een dode kip aan haar riem fungeert als mascotte en symbool van de Kloveniersdoelen; sommige wapens en kostuums zijn meer imaginaire verbeelding dan historische nauwkeurigheid.

Rembrandt week hiermee sterk af van de conventies van zijn tijd. Kunsthistorici merken dat hij tegelijk de chaos van losse, door elkaar lopende figuren en een samenhangende compositie wilde vastleggen — een spanning die volgens Rembrandtspecialisten leidde tot een zekere onvolkomenheid: technisch en compositorisch is het werk in sommige opzichten problematisch, terwijl het tegelijkertijd als hoogtepunt van zijn schilderkunst wordt beschouwd. De dramatische licht-donkercontrasten (tenebrisme) versterken de theatrale werking van het schilderij.

De titel De Nachtwacht ontstond pas later: in de 18e eeuw verouderde en verkleurde het vernis, waardoor het tafereel donkerder leek en men het als nachtelijk interpreteerde; de naam dook voor het eerst rond 1797 op. Officieel draagt het doek een omslachtige, beschrijvende titel die de compagnie en haar leiders bij naam noemt.

Het werk heeft een bewogen geschiedenis. Na voltooiing hing het in de Kloveniersdoelen, werd na 1715 ingekort om in het stadhuis (nu Paleis op de Dam) te passen — daarbij gingen aan alle kanten figuren verloren — en kreeg het door de eeuwen heen meerdere beschadigingen: per ongeluk (een gevallen hamer in 1843), doelbewust (een aanval met een mes in 1911, twaalf sneden in 1975) en chemisch (besproeien met zwavelzuur in 1990). Op de vooravond van de Tweede Wereldoorlog (1939) werd het geëvacueerd via een speciale doorgang en verhuisde het langs kasteel Radboud (Medemblik), een kunstbunker bij Castricum, een bomvrije bunker bij Heemskerk en uiteindelijk naar de mergelgrotten van Sint-Pietersberg bij Maastricht, waar het veilig bewaard werd. Sinds 1885 maakt het deel uit van het Rijksmuseum en sinds 1906 heeft het er een eigen zaal; jaarlijks trekken meer dan twee miljoen bezoekers.

Ondanks zijn technische ambivalenties en de schade die het door de eeuwen opliep, blijft het schilderij een symbool van Amsterdam en een van Rembrandts meest gevierde werken — een kunstwerk dat zowel als “mislukt” in technische zin kon worden gezien als onomstotelijk iconisch.