De Amsterdamse glazenmakers vierden feest toen de ruiten werden ingeslagen
In dit artikel:
In de nacht van 22 op 23 maart 1848 verspreidden enkele mannen in Amsterdam duizend aanplakbiljetten die ambachtslieden en werklieden opriepen op vrijdag 24 maart om 12 uur naar de Dam te komen. De oproep, opgezet door de in Amsterdam wonende Duitser Karl Hancke en zijn gezelschap, beloofde vertegenwoordigers die “hun belangen zouden behartigen”, maar gaf geen concrete eisen of programma. De oproep viel in een tijd van brede Europese onrust: revoltes in Parijs, Wenen, Berlijn en elders verspreidden verlangens naar meer inspraak en grondwettelijke hervormingen — sentimenten die in het door armoede, mislukte oogsten en hoge voedselprijzen geteisterde Amsterdam gemakkelijk aansloegen.
Op de aangekondigde middag stroomde de Dam vol met dagloners, ambachtslieden, jongeren uit de Jordaan en nieuwsgierigen. Er was echter geen podium, geen spreker en geen herkenbare leiding: Hancke en zijn medestanders verschenen niet. De gemeente had al gewaarschuwd dat samenkomsten zonder toestemming verboden waren; politie en schutterij hielden stand-by posities. De gespannen menigte wachtte en raakte onrustig. Toen twee jongens per ongeluk de ruit van een wijnhuis insloegen, sloeg de spanning om in geweld. De menigte splitste zich: een kleine bende trok door de oude binnenstad richting Oude Kerk en Warmoesstraat en maakte baldadige vernielingen; een grotere, meer georganiseerde groep onder leiding van twee matrozen trok systematisch langs Damrak, Zoutsteeg en Nieuwe Kerk en sloeg ruiten in, plunderde ten minste één juwelierszaak en richtte schade aan in etalages en grachtenpanden. Een goudsmid overleed naar verluidt van schrik; ook woningen van welgestelden, waaronder burgemeester Pieter Huidekoper, werden aangevallen maar grotendeels buiten de deur gehouden door personeel.
De politie had moeite het straatgeweld te keren. Politiedirecteur Hendrik Provó Kluit probeerde te stellen op het Rembrandtplein maar werd zelf aangevallen en loste waarschuwingsschoten; rond drie uur ’s middags rukten infanterie en cavalerie uit naar de Dam en de schutterij mobiliseerde de burgerwacht. Tegen het einde van de middag was het oproer grotendeels onderdrukt. In totaal werden 32 personen aangehouden, van wie ongeveer de helft voor de rechter moest verschijnen. Tegen Hancke en een medeverdachte, Gödeke, werd aanvankelijk zelfs de doodstraf geëist wegens een vermeende poging tot omverwerping van de staatsorde; in juni volgde vrijspraak.
Politiek gezien had het Damoproer weinig invloed op de grote koerswijziging die dat jaar al in gang was gezet. Een week vóór de Damoproer hadden massale demonstraties in Den Haag koning Willem II aangezet tot actie; hij benoemde een grondwetscommissie onder leiding van Johan Rudolph Thorbecke. De nieuwe grondwet, die op 3 november 1848 in werking trad, beperkte de macht van de vorst en maakte ministers verantwoordelijk aan de Tweede Kamer, al bleef het kiesrecht aanvankelijk beperkt tot welgestelden.
Het Glazenmakersoproer — zoals het later spottend werd genoemd omdat glazeniers na de onlusten veel werk kregen — bleek geen georganiseerd revolutionair offensief maar eerder een spontane uitbarsting van opgehoopte frustratie in een stad die hard onder economische druk stond. De aanplakkers en hun politieke bedoelingen waren weinig gestructureerd, de vernielingen leken deels willekeurig en het incident versterkte vooral het gevoel dat Amsterdam lange tijd had geslikt.