Bijna het einde van de Watergraafsmeer, de nacht dat de polder weer onderliep

woensdag, 4 maart 2026 (15:53) - Amsterdam.nl

In dit artikel:

Rond 1200 ontstond in het huidige Amsterdam-Oost het Diemermeer nadat een kleidijk (de Diemerzeedijk) faalde; in de loop van de middeleeuwen smolten twee kleinere waterpartijen samen en vormden wat later bekend zou worden als de Watergraafsmeer. Het meer was brak tot zout en leverde vis en vaarroutes, maar vormde ook een militair en ruimtelijk probleem voor het snelgroeiende Amsterdam.

Om die redenen gaf de Staten van Holland in 1624 Amsterdam toestemming het meer droog te leggen. In 1629 werd de polder in ongeveer dertien maanden drooggemalen: circa 725 morgen droog land (ongeveer 615–650 hectare) kwamen beschikbaar. Kavels van ongeveer tien morgen werden in 1631 verloot en verkocht voor 500 tot 2.000 gulden; in totaal werden 31 kopers geregistreerd, waaronder het stadsbestuur zelf.

De laagte van het gebied maakte het echter kwetsbaar: de Watergraafsmeer ligt ruim 5,5 meter onder NAP. In de nacht van 4 op 5 maart 1651 werd die kwetsbaarheid scherp zichtbaar. Door een combinatie van springtij en zware winden ontstond een uitzonderlijke stormvloed — later aangeduid als de Sint-Pietersvloed — die de zee boven de dijken dreef. Meerdere zeedijken en waddenrijen braken (onder andere de Sint Antoniesdijk, Diemerzeedijk en Zeeburgerdijk), waardoor het woeste water ongehinderd over de binnenstad en de polders golfde. De nieuw drooggelegde Watergraafsmeerpolder liep volledig vol, huizen en erven werden weggespoeld, vijf mensen verloren het leven en de resterende bebouwing was alleen per boot bereikbaar.

Direct na de ramp begon Amsterdam met herstelwerk: doorbraken werden gedicht en het water weggepompt. De autoriteiten verleenden belastingontheffingen aan getroffen bewoners om de wederopbouw te stimuleren. Ruim een jaar later, op 15 juli 1652, werd de succesvolle drooglegging na de stormvloed met een feestelijke optocht gevierd: de polder was opnieuw droog en opnieuw in gebruik genomen.

De geschiedenis van de Watergraafsmeer illustreert de tweeslachtigheid van het Nederlandse vechten tegen water: het bood voedsel en ruimte voor stadsuitbreiding, maar vereiste voortdurende dijkzorg en kostbare herstelacties. Pas eeuwen later zouden grootschalige waterwerken en het veranderen van de Zuiderzee tot het IJsselmeer de structurele overstromingsrisico’s in het gebied verder verminderen.